Wij nemen het eten bloedserieus. Onszelf net iets minder. Zeven tafels binnen, de rest van de steeg is ook van ons.
Voor de deur, tussen de bakstenen, onder de parasols. Bij regen zetten we de kachels aan en doen we alsof het zomer is. Niemand die het merkt.


“Niemand weet precies wie Mejuffrouw Janssen was. Dat houden we graag zo.”
Kaarslicht, oude schilderijen, een fles die per glas gaat. Blijf hangen tot de laatste kaars het opgeeft.

Vanaf tien personen schuiven we de tafels aan elkaar en de kaart in elkaar. Zeg maar met hoeveel jullie zijn — wij regelen het bord, het glas en de volgorde.


“Kwam voor één glas. Bleef voor drie gangen.”
“Chique bord, gewone mensen. Precies goed.”
“De friet. Ik zeg niks meer over de friet.”
Drie gangen voor 42, vier voor 52. Of gewoon één ding en een goed glas — dat mag ook.


Twee minuten werk. Daarna hoeft u alleen nog te komen opdagen — en dat doen de meeste mensen.
Niemand weet het precies. Er was een naam op een luifel, een dame op een oude reclameplaat, en een steeg waar niemand wilde zitten.
Wij hebben de luifel geverfd, de tafels naar buiten gesleept en de keuken serieus genomen. Het gerucht dat zij hier ooit at, hebben we nooit tegengesproken.
Wat overbleef is een huis dat op een sterrenzaak kookt en zich als een buurtcafé gedraagt. Wit tafellaken hebben we geprobeerd. Het paste niet bij ons.


Geen dresscode. Kom zoals u bent, ook met natte schoenen.
Alles wordt gedeeld, behalve de laatste kroket.
De chef vraagt niet of het lekker was. Hij weet het.
Blijven zitten mag. Wij ruimen om u heen.